Kinderen, vooral de jonge, kunnen heel puur zijn in hun aanwezigheid. Ze laten zich zien zoals ze zijn. Hoe veiliger een kind zich voelt, des te dichter blijft het bij dit oorspronkelijke persoontje. Door leren en presteren ontwikkelt een kind volwassen patronen, die belangrijk zijn in onze maatschappij. Als het goed is, ontwikkelt het kind zich met een balans tussen kind en volwassen zijn, tussen voelen en denken, tussen kunnen en willen. Psychosociale en lichamelijke factoren spelen bij het ontstaan van een dit evenwicht een grote rol.

Een dysbalans is terug te zien in het gedrag van een kind (bijvoorbeeld terugtrekken, druk worden, pesten of gepest worden, moeilijk contact maken of krijgen, eet-of slaapproblemen, lichamelijke klachten zoals buikpijn), en kan thuis, op school of daarbuiten voor problemen zorgen.
Haptotherapeutische begeleiding, waarbij voelen en beleven centraal staat, kan het kind te helpen meer in balans te komen.

De begeleiding is op het kind gericht, maar kijkt ook naar de interacties met zijn opvoeders.
De basis is werken aan veiligheid en vertrouwen, zodat het kind zich geborgen gaat voelen en ervaart dat het mag zijn wie hij is.

 

Haptotherapie voor kinderen is zinvol bij:

- hechtingsproblematiek
- sociaal onhandige kinderen
- opvoedingsvraagstukken
- eet-, slaap-, plas- en poepproblemen
- angstige, gespannen kinderen
- teruggetrokken kinderen
- kinderen die pesten of gepest worden
- kinderen met vage lichamelijke klachten (hoofdpijn, buikpijn)
- kinderen die ongeneeslijk- of chronisch ziek

 

Kinderen kunnen, afhankelijk van hun leeftijd, korte tijd aandacht hebben voor wat ze doen. Door korte gesprekken op het belevingsniveau van het kind af te wisselen met spelvormen kan het kind zich blijven richten op wat we doen. Spelenderwijs doet het allerlei ervaringsituaties op, en kan zich op deze manier vaardigheden eigen maken die zich nog niet voldoende hebben kunnen ontwikkelen. Een voorbeeld hiervan is het omgaan met een spannende situatie, of juist het tot rust komen als er even niets hoeft. Of in het contact afstemmen op een ander; hoe hard moet een bal gegooid worden, hoe hard kan (mag) ik tegen een ander aanduwen in een spelletje. De nadruk ligt hierbij steeds op voelen en beleven.

Hoe jonger het kind, des te belangrijker vind ik het de ouder (opvoeder) bij de begeleiding te betrekken. De ouder kan toekijken, soms meedoen, en als het nodig is kunnen we na de sessie telefonisch contact hebben. Als het wenselijk is neem ik contact op met de leerkracht.

Meestal is de begeleiding individueel, maar als het wenselijk en mogelijk is, kunnen kinderen ook in een groepje begeleid worden.